Stichting Kojinsei Nederland



KIHON

Op deze pagina komt informatie over kihon te staan. Een en ander wordt momenteel door de instructeurs voorbereid.


Kihon vormt de basis voor alle karate. In kihon worden elementaire stoten, slagen, trappen en weringen geoefend op de plaats of met lichaamsverplaatsingen, dit alles zonder tegenstander. De beginnende karateka kan zich zo deze technieken eigen maken en tegelijk zijn/haar souplesse, kracht en coordinatie verbeteren. Technieken worden in Wado kihon, net als in Shotokan karate, "groot" geoefend. Dat wil zeggen dat standen lang en breed zijn en technieken tot hun maximale reikwijdte worden geoefend. Dit vergroot de souplesse, het bereik en uiteindelijk ook de effectiviteit. Het idee is kortgezegd dat wie de technieken "groot" beheerst, ze ook "klein" kan maken. Het omgekeerde is een stuk moeilijker. Op hogere niveau's worden de technieken korter en sneller, maar niet minder krachtig. Standen (tachi) seiza. Dit is geen stand, maar een zipositie. Hierin zit men geknield, met rechte rug, handen in de schoot. Dit is een positie voor meditatie en groeten, maar ook gewoon een standaard zitpositie in karate. (shizentai-) musubi dachi. De zgn. 'aandachtsstand'. Rechtop, voeten onder een hoek van 90 maar met de hielen tegen elkaar, armen tegen het lichaam. Alle oefeningen beginnen vanuit deze stand, van waar uit voor elkaar gegroet wordt met een lichte buiging. shizen(-hon-)tai. Dit is de 'natuurlijke stand'. In shizentai staat men rechtop, benen een klein stukje uit elkaar (ongeveer schouderbreedte). De armen hangen losjes langs het lichaam. Dit is de uitgangsstand voor alle Pinan kata's. Voorbeeld zenkutsu dachi. Dit is de zgn. voorwaartse stand. Het voorste been is recht naar voren gericht en gebogen, zodat de knie ongeveer recht boven de tenen staat. Het achterste been is schuin naar achteren en vrijwel geheel gestrekt, de voet wijst schuin naar voren. De zenkutsu dachi is een hele sterke stand van waaruit veel kracht in voorwaarste richting uitgeoefend kan worden. neko ashi dachi. De zijwaartse 'katstand'. In deze stand rust het grootste deel ( 60%) van het gewicht op het achterste been, dat gebogen is en waarvan de voet schuin naar achteren (hanmi) of zijwaarts (mahamni) wijst. De voorste voet wijst naar voren. Voorbeeld (met jodan soto kake uke en chudan otoshi kake uke) hamni dachi. Dit is de gevechtsstand die wordt gebruikt in de meeste partneroefeningen. En voet voor en n achter, beide staan in dwarsrichting iets uit elkaar. De voeten staan allebei schuin naar voren gericht, beide knieen zijn gebogen. Voorbeeld shiko dachi. Een stevige stand waarbij de voeten ongeveer even ver uit elkaar staan als bij neko ashi dachi, maar waarbij het zwaartepunt in het midden is. De voeten wijzen schuin naar buiten en dragen allebei de helft van het gewicht. Stoottechnieken (tsuki-waza) Stoottechnieken zijn handtechnieken die recht op de tegenstander af gaan. Er worden verschillende handposities gebruikt. jun-zuki. De jun-zuki is een rechte stoot naar voren. Als het rechterbeen voor staat is de stoot ook met de rechterarm, linkerbeen voor betekent stoten met de linkerarm. Er wordt gestoten met een gesloten vuist, het raakvlak. gyaku-zuki. Dit is de tegengestelde stoot, de tegenhanger van de jun-zuki. Rechterbeen voor betekent stoten met links, en omgekeerd. Deze stoot heeft een iets kleiner bereik dan de jun-zuki, maar meer kracht, omdat er beter gebruik gemaakt kan worden van heup-rotatie. shu-to. Hoewel de gesloten vuist het meestgebruikte wapen is, kan er ook met een open hand worden gestoten. Deze techniek staat minder kracht toe, maar wel veel druk (op een klein oppervlak) en kan worden gebruikt tegen de minder harde delen van het lichaam. De vingers van de hand worden bij een shuto gestrekt en tegen elkaar aan gedrukt, de duim wordt teruggetrokken en de hele hand wordt gespannen. Slagtechnieken (uchi-waza) Slagtechnieken zijn handtechnieken die naar de tegenstander zwiepen. Er worden weer verschillende handposities gebruikt. tettsui: Een zijwaartse vuistslag, waarbij het raakvlak de (buitenste) zijkant van de vuist is. ura-ken. Dit is een slag met de rug van de hand. niet krachtig, wel snel en daaarom toch hard. Voorbeeld shu-to: Een shuto kan behalve voorwaarts, ook zijwaarts gebruikt worden. Weringen (uke-waza) Weringen in Wado-Ryu zijn "zacht". Er wordt niet getracht aanvallen van de tegenstande opzij te slaan, maar slechts van richting te veranderen, zodat ze net afschampen. gedan-barai. Dit is een lage (beneden de band) wering. Er wordt geweerd met een vuist vanaf een punt voor de borst naar de zijkant. uchi-uke. Een wering van buiten naar binnen. soto-uke. Dit is de tegenhanger van de uchi-uke, weert van binnen naar buiten. jodan-uke. Een hoge wering (nek en hoger), waarbij tegelijk naar boven en naar opzij geweerd wordt. age-uke. Een andere hoge wering, puur opwaarts. sukui-uke. Een scheppende wering, vooral geschikt tegen middelhoge trappen. hiji-uke. Elleboogweringen. Trappen (geri) Bij alle trappen in karate wordt de nadruk gelegd op snelheid (verrassing), balans en eenvoud. Veel ongetrainde mensen kunnen niet beter trappen dan hun been op te zwaaien, wat langzaam en zwak is en het gevaar met zich mee brengt dat het trappende been gewoon vastgepakt en geworpen wordt. Karatetrappen maken gebruiken van het uitklappen van het onderbeen op het laatste moment en gaan recht op hun doel af. hiza-geri. Dit is een opwaartse trap met de knie, gericht naar de maagstreek of het kruis. mae-geri. De voorwaarste trap. Begint als een hizageri met het optillen van de knie. Daarna pas wordt de knie gestrekt en wordt er geraakt met de bal van de voet (de tenen worden opgetrokken). De trap wordt afgesloten door het been in een omgekeerde reeks (eerst knie buigen), dan voet weer neerzetten) terug te brengen naar uitgangspositie. Vooral het snel terughalen van het onderbeen is belangrijk, anders kan de tegenstander deze grijpen. mawashi-geri. Gebruikt dezelfde techniek als een maegeri, maar tijdens het trappen wordt de heup ingedraaid, zodat de trap van de zijkant komt. Voorbeeld ura-mawashi-geri. Dit is een variant van de mawashigeri waarbij de trap van de andere kant komt. Er wordt geraakt door het onderbeen in in plaats van uit te klappen en er wordt geraakt met de hiel. Voorbeeld sokuto-geri. Hierbij wordt de heup ingedraaid als bij een mawashigeri, maar de trap is wel voorwaarts zoals bij een maegeri. Er wordt geraakt met de zijkant van de voet, voornamelijk met de hiel. De sokutogeri is trager dan de andere trappen, maar wel erg sterk. Voorbeeld. Deze trap kan zoals alle op verschillende hoogten gemaakt worden en krijgt dan verschillende namen: sokutogeri kekomi / sokutogeri fumikomi: laag (gedan), naar de wreef of knie; sokutogeri kebanashi: middelhoog (chudan), naar de romp; sokutogeri keuge: hoog (jodan), naar het hoofd. ushiro-geri. Een achterwaartse trap met de hiel. yoko-geri. Zijwaartse trap, waarbij of met de bal van de voet getrapt kan worden (yoko maegeri) of met de zijkant van de voet / hiel (yoko sokutogeri). Voetverplaatsingen (ashi-sabaki) Basis lichaamsverplaatsingen zijn stappen, die voor-achterwaarts uitgevoerd kunnen worden maar ook zijwaarts of schuin. Er wordt getraind om op dezelfde hoogte te blijven, d.w.z. dat het hoofd niet op en neer gaat tijdens het stappen. Ook worden slinger- en voorbewegingen ge-elimineerd, zodat de tegenstander niet of nauwelijks kan zien wat de beweging inhoudt. ayumi-ashi. Dit is een enkele stap voorwaarts, waarbij van dekking gewisseld wordt (links wordt rechts en omgekeerd). surikomi-ashi. Twee stappen, waarbij weer in de uitgangsstand uitgekomen wordt. De dekking wordt niet gewisseld. okuri-ashi. Glijpas, waarbij eerst de afstand tussen de voeten vergroot wordt (uitstappen), daarna weer tot oorspronkelijke grootte teruggebracht (bijstappen). De dekking wordt niet gewisseld. tsugi-ashi. Glijpas, waarbij eerst de afstand tussen de voeten verkleind wordt (bijstappen), daarna weer tot oorspronkelijke grootte teruggebracht (uitstappen). De dekking wordt niet gewisseld. hiraki-ashi. Dit is een stap op de plaats. De achterste voet stapt bij (en draait in), waarna de voorste voet naar achteren stapt (en uit draait). Zo wordt een de positie t.o.v. de tegenstander veranderd. De dekking wisselt natuurlijk ook. mawatte. 180 draai op de plaats, geinitieerd vanuit de heupen. De dekking wordt gewisseld. jiku-ashi. Draai van 90 op de hiel van de voorste voet en de bal van de achterste voet, of juist omgekeerd. chidori-ashi. Hierbij stapt de voorste voet voorlangs en de achterste voet achterlangs.